Column Jan van Selm - Europa en treinvervoer op Nederlands spoor

Vanuit Europa zijn voor het Nederlandse spoor deels andere spelregels van toepassing geworden, en krijgen we straks ook deels een andere spelbepaler. Met onzekere gevolgen voor ons spoorse OV-aanbod. En daarmee voor het nationale en regionale OV als geheel, en dus voor onze bereikbaarheidsdoelen. Hoog tijd om heldere nationale doelen te formuleren en deze vóór eind 2027 vast te leggen in een AMvB die kaders stelt aan Europese beslissingen over ons spoor. Een beknopte toelichting op deze stelling/oproep in deze column in DOVA-nieuwsbrief 42.


Inleiding
In Nederland hebben we een omvangrijke en doordacht ontwikkelde spoorinfrastructuur die - geregisseerd door ProRail – ook intensief door veel treinverkeer wordt gebruikt. Een complex maar internationaal gezien goed werkend systeem, dat veel reizigers voor hun regionale, nationale en internationale verplaatsingen bedient. Treinvervoer vormt tevens de ruggengraad van ons Nederlandse OV-systeem als geheel. Zeer waardevol dus en toegesneden op onze specifieke Nederlandse situatie, een dichtbevolkte zeer intensief gebruikte rivierdelta. 

Maar we zijn ook onderdeel van Europa, en de steeds verder gaande Europese harmonisering. Dat brengt economisch gezien veel voordelen met zich mee. Echter op enkele dossiers, zoals eerder bijvoorbeeld ‘stikstof’ en ‘visserij’, doen geüniformeerde Europese regels echt geen recht aan onze specifieke situatie. En hinderen daarmee gewenste ontwikkelingen in Nederland. Dit dreigt nu ook serieus voor ons spoorsysteem. Met alle risico’s van dien.


Onze omvangrijke maar schaarse spoorinfrastructuur
Internationaal gezien beschikt Nederland over een dicht spoornetwerk. Desondanks is spoor ook hier toch vooral schaars. Ons spoornetwerk omvat ruim 3000 km spoor. Waar we over ruim 140.000 km openbare weg beschikken en ruim 6000 km vaarwegen. Om ons spoorwegennet optimaal te benutten voor vervoer van personen en goederen stelt het Kabinet samen met spoorinfrabeheerder ProRail spelregels op. Personenvervoer per concessie wordt maximaal bediend, immers onderdeel van onze nationale OV- en bereikbaarheidsstrategie. ProRail regelt op basis daarvan de capaciteitsverdeling in praktijk (wie mag waar wanneer rijden?). Hoewel er veel te doen is rond ProRail (publiek-private positionering, onderhoud van het spoor, veiligheidskeuzen, capaciteitstoedeling etc) is ProRail natuurlijk vooral een professionele op haar taken toegeruste, publiek aangestuurde uitvoeringsorganisatie, onmisbaar onderdeel van ons Nederlandse OV-stelsel.


Recent hebben de gezamenlijke decentrale OV-autoriteiten hun verwachting voor het nationale spoorsysteem nog eens uitgesproken. Namelijk dat vanuit reizigersbelang een dagdekkende en landsdeelontsluitende dienstregeling gegarandeerd dient te blijven, die ook aansluit bij het OV-aanbod als geheel, het gedachtengoed van Publieke Mobiliteit en de nationale en regionale bereikbaarheidsagenda’s. Dit is de hoofdlijn. Waarbij er overigens in ‘de randen van het geheel’ ruimte moet zijn voor optimalisaties, bv via open toegang, verder gaande regionalisering en/of maatwerkafspraken met de HRN-concessiehouder. Open deuren lijkt het, en vanzelfsprekend, maar helaas… toenemende Europese invloed kan gemakkelijk een andere kant op werken..


Europa: andere spelregels en een andere spelbepaler
Europa lijkt het Europese spoorsysteem toch nog steeds vooral te zien als één van de vele markten die uit economisch perspectief harmonisatie en competitie behoeven. En daartoe heeft Europa met grote vasthoudendheid haar koers uitgezet: 

  • Toegang tot spoorinfrastructuur moet open zijn en op concurrentie gericht (vanaf 2023) 

  • Capaciteitstoedeling wordt meer Europees ingericht, en meer ingevuld vanuit ‘Europese sociaal-economische criteria’ (vanaf 2028 en operationeel vanaf 2031)

Nederland verliest dus invloed op haar eigen spoorse netwerk en het is nog maar de vraag of concessie-gebonden OV ook straks nog voorrang krijgt op overige treindiensten waarvoor capaciteit wordt gevraagd. Hoe zich dit gaat verhouden tot ‘een geborgde dagdekkende en landsdeelontsluitende dienstregeling’ kan niemand momenteel goed inschatten, ook niet de deskundigen bij I&W. Zorgelijk, vind ik.


Wat te doen en hoe te sturen? 
Op werkbezoek in Zwitserland een paar jaar geleden bleek de spoorse wereld daar (met ook een unieke situatie) erg blij dat Zwitserland geen deel uitmaakt van ‘Europa’. Maar Europa verlaten is natuurlijk het kind met het badwater weggooien, we moeten oplossingen vinden binnen de Europese context. Persoonlijk verbaas ik me er overigens wel al langer over dat het klassieke marktdenken nog zo dominant leeft in Europa, terwijl de voorbeelden van voordelen van het Rijnlandse model boven het Angelsaksische model zich lijken op te stapelen, ook in de mobiliteitssector (zie bv ook de Engelse spoorontwikkeling de afgelopen decennia). Maar ik ben natuurlijk ‘een stuurman aan wal’ optima forma, geen idee hoe Europa precies werkt en hoe onze Nederlandse invloed daarop zich in algemene zin richt.


Meer concreet kunnen we als Nederland komend jaar wel een ‘strategic guidance’ opstellen, waar de Europese capaciteitsverdelers straks rekening mee dienen te houden in hun meerjarenplanningen vanaf 2031. Het gaat dan bv om zaken als een klokvaste dienstregeling en minimum-bedieningsniveaus, en ik denk ook over betaalwijzen (OVpay) en uniforme data-aanlevering voor reisinformatie (NETEX en MMTIS als – overigens – Europese standaarden).


Gelukkig is I&W hiermee bezig, maar de tijd dringt, en I&W heeft meer prioriteiten. In het besef dat Europese raderen neiging hebben om op het oog traag maar vervolgens wel onverbiddelijk door te draaien ontstaat bij mij inmiddels stevig ongemak, mede gevoed door collega’s als Didier van de Velde en Nico van Paridon, die zich in deze materie verder hebben verdiept. 


Hoog tijd voor I&W en ons allen om met volle aandacht en in hoog tempo met alle betrokken partners heldere nationale doelen te formuleren en deze uiterlijk eind 2027 te vervatten in een AMvB ‘strategic guidance spoorbenutting in Nederland’.  We kunnen ons op het belangrijke spoorse dossier echt geen straks verstrekkend blijkende nalatigheden veroorloven!